“Je kan het Ruy! Je kan het!” Ik kijk op van mijn laptop waar ik driftig nieuwe stukken voor de website aan het tikken ben. Mijn zoon speelt Fortnite. En hoewel ik me lang verzet heb tegen de komst van dit spel, begin ik er nu ook waardering voor te krijgen.

Het vechtgedeelte: laat ik daar alsjeblieft niet teveel woorden aan vuil maken. Sowieso ben ik wat allergisch voor “elkaar doodschieten” maar goed: Boys will be boys! Maar in Fortnite kun je dus ook parcourtjes doen. Death runs, want ja dat bekt nou eenmaal lekkerder dan parcourtje.

Die death runs zijn dus parcours waarin je behendigheid getest wordt. Springen, klauteren en stekels ontwijken. Je hebt death runs van 50 levels, maar ondertussen ook van 1000. Het mooie eraan is dat de Fortnite gebruikers deze zelf maken. Zoonlief zoekt een YouTube filmpje op, kiest een filmpje van een death run die hem cool lijkt, kopieert de code en kan daarna zelf aan de gang gaan.

En dat doet hij met enorme aanmoediging van zichzelf. Lukt het de eerste 273 keer niet, dan vast wel de 274e keer. “Yes, goed zo! Gewoon opnieuw proberen! Even rustig kijken en je kan het!” Dit soort kreten hoor ik dus van de bank afkomen.


En dat zette me aan het denken. Als ik met iets begin verval ik al snel in “mwoah, dat gaat toch niet lukken, misschien is een ander hier wel veel beter in, ik kan dit helemaal niet!” Wat zonde! Want ik zie nu met eigen ogen hoe jezelf aanmoedigen werkt. En misschien niet direct, en soms ook met een portie frustratie, maar het feit dat mijn zoon zichzelf aanmoedigend steeds een level verder komt, vind ik bewonderenswaardig.

En dat is volgens mij wat ik ook vaak wil: een level verder, in welk opzicht dan ook. Dan helpt een “Hup je kan het Janke!” vast beter dan een “waarschijnlijk lukt dit toch niet!”

Hoe komt het dat ik zo’n criticaster voor mezelf ben, terwijl ik eigenlijk mijn eigen cheerleader zou moeten zijn. Waarom sta ik niet in zo’n kittig rokje met pompons mezelf aan te moedigen als ik weer wat nieuws bedacht heb?

Geen idee! Daar kunnen een hoop ontwikkelingspsychologen vast een veel betere uitleg over geven dan ik. Het doet er ook eigenlijk niet toe. Ik wil het kittige rokje! Ik wil de pompons! Ik wil het over the top dansje erbij!

Dus ik heb besloten mezelf wat vaker aan te moedigen.

Weliswaar gaat het nog wat mompelend. “Ik kan het!” (Denk fluisterstem erbij.)

Van de bank hoor ik: “Zei je wat mam?”

“Ja schatje,” en terwijl ik opsta, een soort luchtsprong maak, schreeuw ik: “ik kan het!” Vanaf de bank krijg ik een eye-roll waar menig vrouw jaloers op zou zijn. Want ja: boys will be boys!