Vandaag hoorde het doelwit van de moord op Stefan levenslang tegen zich eisen. Levenslang! Dat is echt eindeloos lang. En hou met ten goede, als alles klopt van waar hij van verdacht wordt, dan lijkt me dat een hele prima straf.

Het is alleen zo’n schril contrast met de jongen die ik 4,5 jaar geleden ontmoette. Datzelfde doelwit. Die jongen die spijt kwam betuigen hoort vandaag levenslang tegen zich eisen.

De wereld op zijn kop!

Eerder schreef ik over onze ontmoeting. Het leek me een mooi moment om het verhaal van deze ontmoeting opnieuw te plaatsen. Voor het enorme contrast. Waar ik even niet van weet wat ik ermee aan moet.


Mijn leven op 24 september 2014: Ik hang aan de telefoon met de woordvoerder van de politie om te bepalen of ik die avond aan ga schuiven bij Jeroen Pauw of bij Humberto Tan. Opsporing verzocht heeft de dag ervoor de zaak van Stefan behandeld en de telefoon staat roodgloeiend. Ik ben onderdeel van een mediaplan. Alles om de buitenwereld duidelijk te maken dat het echt, echt, echt om een vergissing ging. Ik werk er met liefde aan mee. Het kost me behoorlijk, maar dit beeld moet ik rechtzetten. Niet alleen voor Stefan, maar ook voor onze zoon.

Als ik de telefoon ophang gaat de bel, mijn moeder doet open. Als ze terug mijn appartement inkomt zie ik aan haar serieuze gezicht dat de bel niet zomaar ging. “Er staat een Marokkaanse jongen voor je op de stoep.” In mijn hart weet ik al wie het is. Zijn naam gonst al weken door de lucht bij de pers. Het is “het doelwit”, de jongen om wie het allemaal te doen was. De andere kant van de vergissing. Ook hem heb ik vervloekt, net als de rest van de mensen die betrokken zijn bij deze wereld.

Een gek soort rust overvalt me. Ik knik geruststellend naar mijn moeder. Het is okay. Ik loop naar mijn voordeur en trek deze open. Er staat een jonge jongen. Ik schat hem niet ouder dan 21. “Ben jij Janke?” Ik knik en hij noemt zijn naam. Voor ik wat kan zeggen, barst hij in tranen uit. Tranen die je niet kan spelen. Ik zie echt verdriet. Echt berouw. Iets waar ik al weken naar op zoek ben geweest, maar niet gevonden heb. Hij komt niet uit zijn woorden. Ik hoor hem zeggen hoe erg hij het vindt, dat hij er niks van begrijpt, dat hij me wel op moest komen zoeken om zijn excuses aan te bieden, dat hij zoveel spijt heeft.

Ik kijk naar de jongen die ik in mijn hoofd zo ontzettend verketterd hebt, de jongen die onbedoeld zo’n grote rol in mijn leven is gaan spelen. Ik kijk naar hem en zie zoveel pijn en verdriet. Ik zie een jongen die nog zoveel anderen dingen kan doen met zijn leven. Ik zie iemand die er net zo weinig van begrijpt als ik. Ik hoor hoe hij vraagt hoe het met mij gaat. Hij vraagt naar onze zoon. Hij zoekt zijn woorden en probeert deze er door zijn tranen heen uit te duwen.

Nu ben ik degene die niet uit mijn woorden kan komen. Al mijn boosheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. Hij kon er niks aan doen, hij heeft geen wapen op Stefan gericht, hij heeft in dit verhaal geen gruwelijke fout gemaakt. Ondertussen lopen bij mij ook de tranen over mijn wangen.

Het gesprek duurt nog geen 10 minuten. 10 minuten die voor mij, ook al wist ik dit op dat moment niet, van onschatbare waarde zouden zijn. 10 minuten waarin we niet over de inhoud of de oorzaak spreken, maar alleen over het heden. Als we allebei geen woorden meer hebben om te benoemen, vaar ik op mijn gevoel.

Ik zet een stap naar voren en sla mijn armen om hem heen: “Dank je wel dat je gekomen bent!”